Je hebt hondenmensen en kattenmensen. Dat is alom bekend. Ik ben een hondenmens. Sterker nog ik heb altijd een hekel aan katten gehad. Totdat ik twee katten ontmoette die dit veranderden. Ik snap eindelijk waarom mensen katten leuk vinden en net zoveel verdriet hebben bij het verliezen er van. Katten lijken op mensen, honden niet. Sommige mensen zijn honden maar dat is een ander verhaal.

Dit is Ramses.
Ramses stoot altijd zijn kop aan de eettafel, rent zelf altijd weg na het laten van een scheet en laat ons achter in een woonkamer gevuld door een niet te genieten lucht, stoot altijd glazen om, wil buiten altijd de andere kant op en loopt het liefs drie keer rond een boom waardoor de lijn helemaal in de war raakt en laat altijd een fijne dosis kwijl achter op je broek bij het begroeten. Maar hij kent het verschil tussen het kindje, het vrouwtje en het baasje, heeft altijd door in wat voor stemming je bent, weet wat een bot, balletje en flos is, komt je altijd wakker maken, kwispelt in driekwartsmaat, laat zich na een regenbui graag een half uur lang afdrogen en hij is er altijd als ik weer eens af reis naar het hoge Noorden. Hij is dit jaar 10 geworden. En ziek.
Vrouwtje: “Ja Lea, hij is niet meer de jongste. En zijn hart…”
Kindje: “Hij is tien! Tien is hartstikke jong! Veel te jong! En hij is nog zo…nog zoo…als vroeger!”
Vrouwtje: “Ja ik weet het. Maar ja, hij wordt gewoon ouder en de dierenarts geeft hem nog….”
Kindje: “Tien! TIEN JAAR!”
Vrouwtje: “Er zit geen garantie op een hond, Lea..”
Kindje: “Nou dat zou wel moeten…”